Ronald Wielinga in gesprek met… Focco Vijselaar, (DG Bedrijfsleven en Innovatie bij Ministerie van EZK)

  1. U werkt sinds augustus 2016 bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en sinds november 2018 als Directeur-Generaal Bedrijfsleven en Innovatie. Kunt u iets meer vertellen over de taken en doelstellingen van uw directie en uw rol binnen EZK?

De directie Bedrijfsleven en Innovatie heeft een heel brede portefeuille. In totaal vallen er vijf verschillende beleidsdirecties onder de directie Bedrijfsleven en Innovatie. Het gaat hier om: digitale economie; innovatie en kennis; ondernemerschap; regio; en topsectoren en industriebeleid. De grootste gemene deler zit eigenlijk verborgen in datgene wat ook de WaterCampus aan het doen is. Het gaat er namelijk over hoe we goed ondernemerschap en kennisvalorisatie stimuleren in Nederland. Met dat laatste bedoel ik hoe je kennis omzet in kunde. Kortom, waar zijn we sterk in en hoe kunnen we dat verder ontwikkelen.

Een belangrijk en actueel thema is de verduurzaming van het bedrijfsleven en de industrie. Een andere belangrijk onderwerp waar we aan werken is digitalisering. In de huidige COVID-crisis hoeft het nauwelijks betoog hoe enorm belangrijk dit is. Maar je ziet op allerlei vlakken, zoals bijvoorbeeld bij de Smart Industry Fieldlabs, dat digitalisering een belangrijke invloed heeft op de manier waarop we werken. Het zit dus erg in de kunde. Tegelijkertijd creëert digitalisering ook nieuwe inzichten en mogelijkheden, zoals bijvoorbeeld bij 3D-printing. Digitalisering en verduurzaming zijn in veel gevallen bovendien twee kanten van dezelfde medaille. Met al deze zaken houd ik me beleidsmatig bezig. En dat is een mooie job!

  • Waar komt uw passie voor ondernemerschap en innovatie vandaan?

Zelf heb ik een achtergrond als econoom. Als economen zien we dat bedrijvigheid en innovatie de motor zijn voor vernieuwing en uiteindelijk voor welvaart. Welvaart in de brede zin. Ik noemde al even het voorbeeld van verduurzaming. Om op een gezonde en goede manier te produceren moet je continue blijven nadenken hoe je het anders en vooral ook beter kan doen. Daar heb je innovatie voor nodig. Er zijn op het vlak van innovatie twee gevleugelde uitdrukkingen binnen de economie. De eerste is “Neue Kombinationen”. Innovatie komt doordat je nieuwe combinaties maakt. Vernieuwing krijg je dus door cross-overs, door iets nieuws te proberen, door mensen met elkaar te laten praten. Zelf ben ik één keer op werkbezoek bij Wetsus geweest. Ik vond het ontzettend leuk om te zien hoe mensen vanuit verschillende disciplines bij Wetsus letterlijk naast elkaar aan het werk zijn. Hier ontstaan deze nieuwe combinaties en dus innovatie. De tweede uitspraak is ‘creative destruction”, waarbij de succesvolle toepassing van nieuwe techniek de oude technieken ‘vernietigen’. Als overheid moeten we ons op deze beide zaken richten. Het gaat immers niet vanzelf. Er zijn veel belanghebbenden die eigenlijk bij de status quo heel veel belang hebben. Je moet dus ook echt nadenken over de wijze waarop je de economie inricht, zodat er dynamiek ontstaat. Het startup en scale-up beleid is hier een prachtig voorbeeld van.

  • Sinds 2011 werkt EZK aan het topsectoren beleid. Het beleid waarin kleine en grote ondernemingen nauw samenwerken met wetenschappers en de overheid gericht op het versterken van de economie met innovatie. Kunt u eens reflecteren op de resultaten uit de afgelopen 10 jaar?

Het is voor mij natuurlijk lastig om tien jaar terug te kijken omdat ik toen zelf nog bij het Ministerie van Financiën werkte. Maar dat wil niet zeggen dat ik er niets over te vertellen heb. Met het topsectorenbeleid hebben we heel bewust ingezet op wat een tijdlang de gouden driehoek heette. Tegenwoordig hebben we het over de ‘quadrupel helix’ omdat we ook graag het burgerperspectief erbij betrekken. Maar in eerste instantie richten we ons met de topsectoren op het neerzetten van samenwerking tussen wetenschap, bedrijfsleven en overheid. En dat heel bewust organiseren en zorgen dat die drie samenwerken in de context van zo’n topsector, maakt dat er in de loop van de tijd een gezamenlijke agenda is ontstaan. Dit zorgt er ook voor dat als er problemen of juist kansen zijn, de verschillende organisaties elkaar snel weten te vinden. De samenwerking verbetert hierdoor enorm. De WaterCampus is hier zelf natuurlijk ook een succesvol voorbeeld van. Ook binnen de WaterCampus werken wetenschap, overheid en bedrijfsleven nauw samen en ontstaan innovatie en economische kansen. Een ander mooi voorbeeld is de evenementenindustrie. Samen met de topsector creatieve industrie en TNO hebben we vanuit het Ministerie van EZK de fieldlabs ontwikkeld. Deze fieldlabs, bijvoorbeeld het concert van Andre Hazes jr., zijn feitelijk live onderzoeksexperimenten waarin betrokken bedrijven en kennisinstellingen gedrag van groepen monitoren, beschermingsmaatregelen kunnen testen en wij als overheid kunnen leren hoe evenementen weer veilig kunnen organiseren. Deze samenwerking die nu in tijden van COVID zo nodig is, was waarschijnlijk niet tot stand gekomen als we de topsectoren niet hadden gehad. Naast nieuwe combinaties en innovatie levert de samenwerking binnen de topsectoren dus ook wendbaarheid op. Je kan met elkaar, ook in tijden van een crisis, heel makkelijk inspelen op nieuwe ontwikkelingen.

  • Hoe ziet u de toekomst van het topsectoren beleid? Gaat EZK dit verder uitbouwen?

Toen een aantal jaar geleden de samenwerking binnen de topsectoren goed stond, kwam de behoefte naar voren om meer in maatschappelijke uitdagingen te denken. Deze maatschappelijke uitdagingen raken vaak verschillende topsectoren. Hierdoor is er een kanteling gekomen naar het missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid. Binnen het missiegedreven beleid formuleren verschillende topsectoren ‘moonshots’ met elkaar. Deze topsectoren realiseren zich dat we alleen een stap verder komen als we het met elkaar doen. De Neue Kombinationen. Een mooi voorbeeld is natuurlijk landbouw-voedsel-water. De kanteling is de afgelopen kabinetsperiode ingezet en wat mij betreft smaakt dit naar meer en is er ook alle reden om dat verder te ontwikkelen en te verdiepen. Het belangrijkste aandachtspunt is voor mij (kennis)valorisatie. Laat ik daar een paar voorbeelden bij noemen. We hebben een prachtig klimaatakkoord dat momenteel omgezet wordt in plannen. Om deze plannen te realiseren moet nog heel veel innovatie plaatsvinden. Zoals bijvoorbeeld de noodzaak om elektrisch te gaan kraken. Hoewel het in theorie mogelijk is, is de techniek nog niet beschikbaar. We kunnen hier dan fundamenteel met elkaar over blijven doen, maar willen we de klimaatambities halen dan zullen we het de komende jaren ook echt met elkaar moeten gaan beginnen. Een tweede voorbeeld is de nationale AI-agenda (Artificiële Intelligentie). De AI-coalitie is bezig om over de grenzen van verschillende topsectoren samen te werken om kunstmatige intelligentie echt naar de praktijk te brengen. Kortom om de missies te bereiken zoals bijvoorbeeld die van verduurzaming en veilig voedsel is het noodzakelijk dat we de agenda met elkaar gaan voortzetten.

  • In Nederland zijn diverse campussen die zich richten op het versterken van de economie met innovatie. Sommige van deze campussen richten zich op een specifieke regio en andere zijn zoals bijvoorbeeld de WaterCampus, gebouwd rond sterke clusters. Hoe kijkt u naar de rol die deze campussen vervullen bij het versterken van de economie via innovatie?

Vanuit het ministerie van EZK hebben we geen specifiek beleid rond campussen. Wij kijken meer naar ecosystemen. In oktober 2020 hebben we een brief naar de Tweede Kamer gestuurd (hier) die gaat over versterken van onderzoeks- en innovatie ecosystemen. Hierin geven we een kader mee hoe je kunt beoordelen of ecosystemen werken en hoe je ze ook goed werkend krijgt. Campussen vormen hierin een cruciaal onderdeel waar de startup en scale-up community samenkomt met grote bedrijven en dit alles in de directe omgeving van kennis. Zo creëer je sterke clusters die als onderdeel van een innovatie-ecosysteem daadwerkelijk kunnen bijdragen aan economische groei en welvaart.

  • Een van de uitdagingen die ik zie is dat er tussen campussen/innovatieclusters concurrentie ontstaat. Bijvoorbeeld bij het binden van jonge bedrijven aan de campus. Ziet u dat ook als een risico? En zo ja, hoe voorkomen we nu dat we met elkaar concurreren? En nog beter, hoe zorgen we voor de juiste onderlinge samenwerking? Wat is de rol die EZK hierin kan vervullen?

Een beetje concurrentie is nooit verkeerd. Het is dus prima als clusters de druk voelen om echt toegevoegde waarde te blijven leveren. Tegelijkertijd is het ook van belang om elkaars vliegen niet af te vangen in Nederland. De omvang van Nederland is wat mij betreft dusdanig dat we moeten proberen om juist de voordelen van de samenwerking, ook over de campussen en ecosystemen heen, te organiseren. Wat dat betreft is Wetsus ook een interessant voorbeeld. Wetsus is gelieerd is aan verschillende universiteiten zoals de WUR, TU Twente en de Rijksuniversiteit van Groningen. Je merkt dat deze achtergrond helpt om zaken samen te brengen. Dat is precies hoe ik graag naar campussen en ecosystemen kijk. Te ontdekken of er kansen zijn om over de grenzen van de ecosystemen verbindingen te leggen en tot nationale proposities te komen. Wij moeten elkaar proberen sterker te maken en het voordeel van de nabijheid met elkaar uitbuiten.

  • Nederland doet het natuurlijk goed, maar welke landen ziet u als grote voorbeeld? En wat maakt deze landen in uw ogen zo succesvol? En hoe neemt u dit mee in uw eigen beleidsvorming?

Boston wordt natuurlijk al vaak en terecht als voorbeeld aangehaald. In Boston hebben ze met een groot aantal bedrijven en universiteiten een ecosysteem weten te realiseren waar kennisvalorisatie enorm succesvol is. Wat helpt is dat alles in Boston bijna op loopafstand van elkaar zit. Boston is echt een brand geworden. Nederland is natuurlijk iets groter, maar tegelijkertijd hebben wij in Nederland wel echt de kans om te leren van hetgeen ze in Boston doen en (nog meer) sterke proposities te maken en nadenken hoe deze sterke proposities zich verhouden tot het buitenland. Dat is weer van groot belang om ons bijvoorbeeld op Europees niveau te onderscheiden en daarmee sterk voor de dag te komen bij programma’s als Horizon Europe. We moeten echt gebruik maken van onze schaal. Nederland is groot genoeg om op heel veel fronten mee vooraan te zitten en klein genoeg om elkaar goed op te zoeken en goed van elkaar te weten wat we aan het doen zijn. Daar moeten we kracht uit ontlenen. Dus om terug te komen op je vorige vraag. Dat verschillende ecosystemen concurrentie voelen is prima, maar we moeten juist ook proberen om elkaar te versterken en het elkaar te gunnen om mee te denken en mee te werken. En zo, net als in Boston, een brand op te bouwen. Een ander mooi voorbeeld vind ik Israël. In Israël zijn ze heel goed in het vertalen van kennis naar kunde en daarmee bedrijvigheid te creëren.

  • Nederland en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Op het vlak van watertechnologie is Nederland internationaal gezien een absolute voorloper in de wereld. Veel baanbrekende innovaties kennen hun oorsprong in Nederland. Het realiseren van economische impact met deze innovaties is complex. Hoe kijkt u als relatieve buitenstaander naar het belang van watertechnologie voor Nederland? Waar liggen volgens u de grootste kansen? En hoe kan de sector nog meer impact realiseren?

Nederland en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het is dus ook logisch dat we daar goede kennis en kunde op hebben. Veel mensen denken dan natuurlijk in eerste instantie aan deltatechnologie en maritiem. Maar ik denk dat watertechnologie minstens zo belangrijk is. Watertechnologie is een typisch voorbeeld van waar wij als Nederland sterk in zijn en een sector waar allerlei mooie samenwerkingskansen liggen. Water is als utility enorm belangrijk voor andere sectoren zoals landbouw, chemie en gezondheid. Alhoewel water, zeker in Nederland, relatief goedkoop is, zit watertechnologie, zeker als je het raakvlak met andere sectoren hierin meeneemt, in het hart van grote internationale en maatschappelijke uitdagingen. En er zijn, zeker ook in andere landen, enorme watertekorten waar wij met onze technologie en kennis oplossingen voor kunnen bieden. Hydraloop vind ik hierin zelf een krachtig voorbeeld.

Als je het dan over impact hebt, denk ik dat de watertechnologiesector nog wel een slag kan maken. Samen met Annemieke Nijhof, het vorige boegbeeld van de watersector, hebben we de sector goed onder de loep genomen. Zo zijn we bijvoorbeeld samen op bezoek geweest bij Wetsus. Wat ons opviel is dat de watertechnologiesector nog een echte ingenieurswereld is. De mensen in de sector zien oplossingen voor grote maatschappelijke uitdagingen en ontwikkelen fantastische producten om deze uitdagingen te tackelen. De omzet van de sector is al aanzienlijk, maar heeft nog niet echt de wow-factor. De sector zou nog veel meer ondernemerschap kunnen gebruiken. Daarom hebben wij het “Vertienvoudigen Export Watertechnologie” programma gelanceerd. Dit moet er aan bijdragen dat nog veel vaker de stap gezet wordt richting een groot en groeiend winstgevend bedrijf. Zo sprak ik toen ik de laatste keer in Boston was een ondernemer die een technologie ontwikkeld heeft om een specifiek probleem in de watersector te tackelen. Deze ondernemer wist zijn product zo goed te verkopen dat je eigenlijk direct bereid bent je spaargeld aan hem te geven. Terwijl ik tegelijkertijd weet dat er in Nederland een technologie ontwikkeld is die superieur is aan de technologie van deze Amerikaanse startup. De komende jaren wil ik onder andere met dit Vertienvoudigen Export Watertechnologie programma markten openen. Gelukkig zijn hier ook enthousiaste ondernemers ingestapt en zitten we met z’n allen te broeden op proposities waarmee we elkaar sterker maken.

Over Focco Vijselaar

Drs. F.W. (Focco) Vijselaar is sinds oktober 2018 directeur generaal Bedrijfsleven en Innovatie bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Daarvoor was hij directeur Algemene Economische Politiek/Chief Economist bij het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Eerder vervulde hij bij het ministerie van Financiën de functie van directeur Buitenlandse Financiële Betrekkingen. Van 2010 tot 2011 was Vijselaar plaatsvervangend directeur Markt en Consument bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Focco Vijselaar studeerde Algemene Economie aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Over Ronald Wielinga

Ronald Wielinga is sinds juli 2020 actief als manager entrepreneurship bij de WaterCampus Leeuwarden. Iedere maand gaat Wielinga in gesprek met inspirators. Inspirators die een prominente rol vervullen op het vlak van ondernemerschap of in de watertechnologiesector.

Hij gebruikt deze gesprekken om te reflecteren op het enterpreneurship programma van de WaterCampus. Dit om het programma nog sterker te maken. Want de groeiambitie is groot.

De interviews zijn online te vinden op www.watercampus.nl en komen ook regelmatig terug in Water Alliance’s WaterProof magazine.